Door Jef L. Teugels

Door vergrijzing en ontkerkelijking is het kerkbezoek sterk gedaald in onze streken. Een gevolg hiervan is dat vele kerken, kloosters en kapellen leeg komen staan of dat ervoor een nieuwe bestemming moet gezocht worden. Op vele plaatsen werden reeds (verplicht) de roerende goederen zoals kerkelijke kunstschatten (beelden, schilderijen, kelken, gewaden, etc.) geïnventariseerd en geregistreerd. Daarbij is vaak maar niet altijd ook aandacht voor de onroerende goederen.

Klokkenjager Jef L. Teugels

Klokken zijn roerende goederen, maar onroerend door bestemming. Het Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur (CRKC-PARCUM) heeft een paar jaar geleden het religieus erfgoed van de zes erkende erediensten in Vlaanderen in kaart gebracht. Spijtig genoeg werden torenklokken niet opgenomen in deze registers. Het is begrijpelijk dat men van kerkbesturen niet kon verwachten om een (toch soms gevaarlijk en lastig) bezoekje aan de klokken in de toren te brengen. Het is wachten op de resultaten vaneen nieuwe bevraging die de rooms-katholieke kerkfabrieken kunnen invullen tegen midden februari 2019 en waarin er wel aandacht is voor klokken en torenuurwerken.

De toekomst van onze klokken is onzeker.

Voor alle beiaardklokken in Vlaanderen heeft de Vlaamse Beiaardvereniging (VBV) reeds een unieke en volledige catalogus aangelegd. Ook zijn hier en daar klokken van belforten en individuele kerken in kaart gebracht. Maar in het overgrote deel van de kerken en kapellen is dat recent zelden of nooit gebeurd. De meest betrouwbare historische documenten werden in 1918 opgemaakt. Op het einde van de Eerste Wereldoorlog besliste de Duitse bezetter dat bijna alle klokken geconfisqueerd moesten worden. Als reactie vroeg de toenmalige aartsbisschop van Mechelen, Kardinaal Mercier, aan zijn pastoors om nauwkeurig te noteren welke klokken er in de torens hingen en wat erop te lezen viel. Gelukkig eindigde deze oorlog nog juist vóór de bezetter dit plan kon uitvoeren. De pastoorsverslagen zijn prachtig verzameld en werden later op de website van het Koninklijk Kunstpatrimonium geplaatst, alwaar deze informatie voor iedereen beschikbaar is.

Spijtig genoeg liepen de zaken anders tijdens de Tweede Wereldoorlog. Reeds in 1941 besliste de Duitse overheid om de klokken aan te slaan. De bezetter had immers gebrek aan grondstoffen zoals koper voor de productie van munitie. De Belgische kerkelijke overheid talmde echter zodat maar eerst in het najaar van 1943 aan de klokkenroof werd begonnen. De afspraken toen waren dat beiaarden ongemoeid gelaten zouden worden evenals torens met maar één enkele klok. Voor torens met meerdere klokken moest minstens één klok blijven hangen, evenals alle klokken van vóór 1700. Het gevolg hiervan is dat veel klokken (een vijfduizend) verdwenen zijn. Dankzij een restitutieprogramma van de Belgische overheid werden de meeste klokken later vervangen door meer recente creaties. Maar wat de huidige situatie is in de torens is nergens systematisch bijgehouden en dus helaas bijna totaal ongeweten.

In samenspraak met KADOC en CRKC-PARCUM hebben we het initiatief genomen om hier verandering in te brengen. We geven ons daarbij ook rekenschap dat door het verminderd gebruik, klokken onderhevig zijn aan ‘verdwijningen’. Een goede inventarisatie is al een beginpunt om potentiële diefstal te vermijden, of om eventuele onbezonnen beslissingen die de klokken in de uitverkoop zetten te helpen voorkomen.

Werkwijze per locatie

Willen wij in Vlaanderen dit belangrijk stuk erfgoed veilig stellen, dan is een inventarisatie van de luidklokken dus een eerste en noodzakelijk begin. Wat we doen is het klokkenpatrimonium ter plaatse gaan bekijken en in kaart brengen. Per locatie waar minstens één luidklok aanwezig is, nemen we contact op met verantwoordelijken of groepen van de locatie zoals kerkelijke overheid, kerkbestuur of lokale heemkundige kring. Uiteindelijk mondt dit uit in het vinden van een persoon die ons de mogelijkheid geeft de toren te bezoeken.

Bij een bezoek aan de kerk wordt eerst een fotografische opname gemaakt van de toren waarin de klokken hangen. Dan wordt een globaal beeld verkregen van de klokkenkamer. Per klok worden dan een aantal activiteiten uitgevoerd:

  1. het maken van voldoende fotografische opnames,
  2. het maken van drie fysische opmetingen, namelijk de laterale (diagonale) hoogte, de diameter en de lipdikte van de klok aan de slagring,
  3. het maken van een klankopname van één slag van de klok,
  4. het gedetailleerd opschrijven van alle sierelementen en hun plaats op de klok,
  5. het vastleggen van bijkomende elementen zoals de globale toestand, de aan- of afwezigheid van een klepel en/of uitwendige hamer, het gebruik van de klok zoals voor angelus, uurklok, …

Op basis van de ingewonnen informatie en andere beschikbare bronnen wordt de klok in haar historisch kader geplaatst o.a. door het zoeken naar verduidelijking van alle andere inscripties op de klok. Per toren wordt dan een geïllustreerde samenvatting gemaakt van het bestand aan luidklokken van het gebouw. Hieraan wordt eventueel analoge informatie toegevoegd over sacristieklokken, mochten die aanwezig zijn. Ook wordt gezocht naar informatie over de voorgangers van het huidige klokkenbestand.

Verspreiding van de resultaten

Met behulp van lokale erfgoeddiensten of heemkundige kringen wordt daarna overwogen om aan de ingewonnen informatie een meer blijvend karakter te geven. Dit kan gebeuren per toren, maar de ervaring heeft ons geleerd dat een groepering over een dekenaat of over een gemeentelijke structuur meer aangewezen is. Heel wat kringen brengen de ingewonnen informatie naar hun leden door publicatie in jaarboeken of ledenbladen. Veel klokken zijn niet alleen pareltjes van hoogstaand vakmanschap maar zijn vaak speciaal gegoten voor het gebouw waarin ze hangen. Bovendien verwijzen de teksten op de klokken regelmatig naar personen zoals gieters, schenkers, peters, meters, pastoors, kortom personen die een speciale binding hebben met de omgeving. Zo ontstaat er een interessante wisselwerking. Op deze wijze draagt ons werk ook bij tot de heemkundige geschiedenis van de toren en zijn omgeving. Ons inventariswerk is maar mogelijk dankzij een intense samenwerking met de kerkbesturen en met de lokale heemkundige kringen.

In het verleden werden de rapporten voor de twee grote zones Groot-Leuven en het dekenaat Herent gebundeld en in boekvorm uitgegeven bij Uitgeverij Peeters. Voor veel andere locaties gebeurt de rapportering dus door publicatie in ledenbladen van de lokale heemkundige kringen. Uiteindelijk zullen de gegevens door vrijwilligers in de online databank van Erfgoedplus verwerkt worden zodat de ingewonnen informatie beschikbaar wordt voor de ganse samenleving. Voor Groot Leuven is dit reeds gedaan door Marc Van Eyck en Luc Behets. Voor Herent werkt Agna Vackier momenteel aan dit project.

Globale strategie

Zoals al vaak is gezegd gaat het niet te best met ons ‘Klinkend Erfgoed’, de verzamelnaam voor orgels, beiaarden, luidklokken en torenuurwerken. Verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder de toenemende leegstand en/of herbestemming van de kerken, maken een goed dagelijks beheer van klokken en orgels niet meer vanzelfsprekend. Het is noodzakelijk om de zorg voor dit erfgoed te benadrukken. Naast de creatie van een breed draagvlak voor het Klinkend Erfgoed moeten ook het publiek, de media en de politiek ervan worden doordrongen dat de eeuwenoude klanken in stad en dorp dreigen teloor te gaan. Anders staat de tijd op de torenklok gewoonweg stil.

Wij kunnen inspiratie vinden bij onze noorderburen waar reeds een Stichting Klinkend Erfgoed Nederland is gesticht die zich bekommert om luidklokken, beiaarden, torenuurwerken, klokkenstoelen en orgels. Deze stichting wordt gesteund door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. We hopen in de toekomst te kunnen overgaan tot de creatie van een analoog Platform Klinkend Erfgoed Vlaanderen dat concreet de verschillende aspecten van het klinkend erfgoed vertegenwoordigd ziet in de volgende onderdelen:

  1. De 68 beiaarden in Vlaanderen, vertegenwoordigd door de Vlaamse Beiaardvereniging. De vereniging heeft een speciale voorbeeldfunctie door de weg die de beiaardcultuur heeft afgelegd met haar internationale erkenning door UNESCO als Immaterieel Cultureel Erfgoed.
  2. Torenuurwerken worden vertegenwoordigd door het Uurwerkgezelschap dat in 1999 werd opgericht als een niet-commerciële vereniging van liefhebbers en verzamelaars van tijdmeetinstrumenten en uurwerken.
  3. Orgels worden vertegenwoordigd door het Orgel in Vlaanderen. De vereniging werd in 1990 opgericht met als doel het bevorderen van de orgelcultuur en het orgelerfgoed in Vlaanderen.
  4. Luidklokken hebben tot dusver geen stem in het erfgoedkapittel. Daarom werd een initiatief gestart om deze component van het klinkend erfgoed – tenminste toch gedeeltelijk – in kaart te brengen.
  5. Zoals het geval is in Nederland wordt vanuit verschillende hoeken voorgesteld om ook klokkenstoelen mee te betrekken in het initiatief. Voor zover we weten is voor dit aspect voorlopig nog geen gedetailleerde inventarisatie.

Het Platform zelf vormt het grote geheel waarin diverse instanties die belangstelling hebben voor dit aspect van erfgoed een plaats kunnen krijgen. We vermelden ze in alfabetische volgorde:

  • Agentschap Onroerend Erfgoed
  • CEMPER (vroeger Resonant)
  • Centrum voor Religieuze Kunst en Cultuur-PARCUM (CRKC)
  • Erfgoedcentrum voor Technisch, Wetenschappelijk en Industrieel Erfgoed
  • Heemkunde Vlaanderen (ETWIE)
  • KU Leuven, Documentatie- en Onderzoekscentrum voor Religie, Cultuur en Samenleving (KADOC)
  • Monumentenwacht Vlaanderen
  • Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed Nederland
  • Vlaams Steunpunt voor Cultureel Erfgoed (FARO)

Vertegenwoordigers van (bijna) alle vermelde groepen vergaderden in het verleden al tweemaal. Een derde bijeenkomst is voorzien in de lente van 2019 en wordt vanuit CRKC-PARCUM en Campanae Lovanienses georganiseerd.

Ervaringen

De afgelopen jaren hebben we het geluk gehad om grondige ervaring op te doen in verband met inventarisering van luidklokken, zowel in Vlaanderen als in de Westkaap van Zuid-Afrika. Ons enthousiasme voor het werk in Vlaanderen is veel verschuldigd aan het succes dat werd behaald bij het herwaarderen van de Kaapse beiaard, de enige bespeelbare beiaard van het Afrikaanse continent. Deze beiaard met zijn 39 klokken was het eerste instrument wereldwijd dat werd geconcipieerd als oorlogsmonument voor slachtoffers van de Grote Oorlog. Na de recente wijzigingen in de regeringsvorm in Zuid-Afrika was dit uniek instrument volledig in de vergetelheid geraakt. Dankzij inzet van een aantal collega’s uit het land zijn we er in geslaagd de aandacht van het stadsbestuur te wekken voor de beiaard. Het instrument maakt nu deel uit van het War Memorial & Peace Carillons-initiatief dat onlangs gestart werd en waarvan de Vredesbeiaarden van de Abdij van Park en de stad Aarschot de jongste zijn. Sinds een maand heeft het stadsbestuur van Kaapstad opnieuw een beiaardier aangesteld.

Gewapend met deze ervaring hebben we over de periode 2012 tot 2018 binnen de Westkaapprovincie al een 500 klokken in een databank samen gebracht. De gegevens met bijhorend fotomateriaal worden ter beschikking gesteld van het publiek wereldwijd door toedoen van de Stellenbosch Universiteit.

In 2008 werd onder initiatief van Jacques Sergeys, de laatste klokkengieter in België, door de Leuvense vereniging Campanae Lovanienses een omvangrijke inventaris uitgegeven van het klokkenpatrimonium in Groot-Leuven. Dit compendium door Twan Bearda, Jacques Sergeys & Jef L. Teugels, Campanae Lovanienses, Inventaris van Beiaarden en Klokken in Groot-Leuven werd door Uitgeverij Peeters Leuven op de markt gebracht in 2008. Het bevat een uitgebreide beschrijving van meer dan 350 klokken die op dat ogenblik in Groot-Leuven te vinden waren. Leuven was in de periode 1550 tot 1980 het centrum van het klokgietersbedrijf. Ook worden in het boek een aantal ondersteunende teksten aangeleverd over de verschillende gietersdynastieën, over de klokkenwijding,…. Recent werd door David Proot, Philippe Moury en Jacques Sergeys een update gemaakt van dit werk, wat aantoont dat inventarisatie onontbeerlijk blijkt te zijn: verschillende klokken bleken intussen verdwenen.

Voor het dekenaat Herent (zones Herent, Kampenhout en Kortenberg) verscheen in 2018 van Guy G. Saelemaekers & Jef L. Teugels het boek Welluidend Erfgoed: Klokken-patrimonium van Herent, Kampenhout & Kortenberg, opnieuw verzorgd door de Uitgeverij Peeters Leuven, dit in nauwe samenwerking met de Herentse Stuurgroep Erfgoed.

Het werd snel duidelijk dat het initiatief om het inventarisproject uit te breiden naar heel Vlaanderen voor ons voorlopig onhaalbaar was. Daarom hebben wij besloten ons eerst te concentreren op de regio Oost-Brabant. Met zijn meer dan 200 torengebouwen plus kapellen en individuele locaties lijkt dit een voor ons nog haalbare opdracht. Hier volgt een kort overzicht. Vermelden we opnieuw erbij dat voor elke regio gezocht wordt naar een gepaste vorm om de gegevens aan het brede publiek aan te bieden. De samenwerking met lokale heemkundige kringen levert vaak prima mogelijkheden in hun ledenbladen. Een lijst van reeds verschenen bijdragen is beschikbaar bij de redactie.

  1. Van de acht dekenaten binnen Oost-Brabant zijn Leuven en Herent volledig afgehandeld en zijn de gegevens in boekvorm op de markt gebracht. De verwerking in de Erfgoedplus databank is gedaan of volop bezig.
  2. Ook de dekenaten Bierbeek en Overijse zijn volledig bezocht maar de publicatie van de resultaten laat nog wat op zich wachten omdat voor sommige zones nog onderhandelingen lopen over de publicatievorm.
  3. De dekenaten Aarschot, Diest en Tienen zijn al gedeeltelijk in kaart gebracht.
  4. Alleen het dekenaat Zoutleeuw moet nog in zijn geheel worden aangesneden.

Voor het tijdschrift Monumenten, Landschappen en Archeologie, werkte ik samen met Werner Wouters aan een boeiend artikel Klinkend Erfgoed – Herwaardering van het Klokkenbestand in Vlaanderen, dat verscheen in volume 37 van 2018. Voor Heemkunde Vlaanderen werd samen met Guy Saelemaekers en Werner Wouters een artikel opgesteld over ‘Klokken en Heemkunde’, dat in het voorjaar zal verschijnen.

Ik wil hier bij opmerken dat ons werk maar mogelijk was door intense samenwerking met een aantal collega’s “klokkenjagers”. Dit werk alleen uitvoeren zou waanzinnig zijn: naast veiligheidsoverwegingen zijn meerdere handen nodig voor het maken en noteren van meetgegevens en de teksten op de klokken. Ook voor het maken van de klankopnames zijn minstens twee personen noodzakelijk. Langs deze weg ben ik deze collega’s meer dan dankbaar: Paul Dirven, Joost Dupon, Willy Goossens, Veerle Lauwers, Noel Golvers, Guy Saelemaekers, Godelieve Vanzavelberg, Adrien Vernimmen en Werner Wouters.

Om individuele klokkenjagers of groepen aan te moedigen een digitale inventaris te maken van het lokale erfgoed hebben we een sjabloon opgesteld dat behulpzaam zal zijn bij ‘wat een registratie is’ en ‘hoe ze moet worden opgevolgd’. Dit sjabloon wordt langs CRKC-PARCUM beschikbaar gesteld. Hierin wordt de verschillende te beschrijven klokkeninfo stap voor stap aangegeven. Ook worden suggesties gegeven waar informatie over klokken kan gevonden worden en hoe die te interpreteren. Zo wordt bijvoorbeeld aangehaald dat heel wat oudere klokken Latijnse teksten bevatten waarvoor de hulp van een latinist gewaardeerd wordt.

In enkele plekken in West- en Oost-Vlaanderen vult men de inventaris ook aan. In Klein-Brabant (gemeentes Puurs-Sint-Amands, Bornem) plant de lokale heemkundige kring een inventaris. Deze state of the art toont echter aan dat er nog flink wat werk aan de winkel is.

Advertenties